Executieve functies

Leer mij het zelf te doen!

Als je het:
voor me knipt
voor me opent
voor me tekent
voor me klaar zet
voor me zoekt
en voor me vindt
Dan leer ik vooral dat jij het beter kunt dan ik.

Als je het voor me doet, leer ik vooral dat jij het beter kunt dan ik.

We denken van nature (leerkrachten en ouders) dat we onze kinderen een grote dienst doen als we ze ‘ontzorgen’ en altijd voor ze klaar staan. Bijvoorbeeld even snel de veters strikken, de jas aandoen of het werkstuk maken of de gymtas nabrengen. Toch leren de kinderen meer en worden ze zelfstandiger als ze het zelf (blijven) proberen, tegen de lamp (mogen) lopen of even moeten worstelen om er uit te komen.

Het ontwikkelen van de executieve functies heeft enorm veel invloed op schoolprestaties. Net als intelligentie voorspellen ze schoolsucces. Waar intelligentie  iets zegt over de verwerking van informatie, zeggen executieve functies iets over hoe een kind een taak uitvoert. Executieve functies zijn gericht op denken en gedrag. Executieve functies zijn nodig om het leerproces zelf te kunnen sturen. Bovendien zijn het  vaardigheden die leerlingen nodig hebben om zich te ontplooien en voortdurend aan te kunnen passen aan onze steeds veranderende omgeving.

Het is dus goed om deze Executieve functies bij onszelf als leerkrachten, maar zeker ook bij de kinderen te ontwikkelen. Executieve functies zijn namelijk denkprocessen die belangrijk zijn voor het uitvoeren (de executie) van sociaal en doelgericht gedrag. Het gaat dus ook om het omgaan met de ander (hoe voorkom ik ruzie, hoe los ik het op) en het maken van werk op school.

Deze zogenaamde executieve functies worden aangestuurd de hersenen. De executieve functies zijn dus de regelfuncties van ons brein. Om efficiënt en zelfstandig te kunnen functioneren, is het noodzakelijk dat we ons gedrag (kinderen en volwassenen) kunnen organiseren en in goede banen kunnen leiden. Dat helpt ons, om onze emoties te controleren en onze gedachten te monitoren, zodat er efficiënter en effectiever gewerkt kan worden.

U begrijpt dat als we deze executieve functies kunnen ontwikkelen (en dan kan) er een positieve invloed is op het het leren op school maar ook sociaal gedrag.  Bij alle taken die we doen zetten we namelijk deze functies in. Minder sterk ontwikkelde functies kunnen voor problemen zorgen.

U bent intussen vast nieuwsgierig geworden wat deze executieve functies dan zijn. Hieronder staan er elf op een rij:

Denken
Planning/prioritering
De leerling kan een plan bedenken om een doel te bereiken of een taak te voltooien. Hierbij moet hij ook in staat zijn beslissingen te nemen over wat belangrijk en wat niet belangrijk is.
• Organisatie
De leerling kan dingen volgens een bepaald systeem arrangeren of ordenen. Denk hierbij aan een jong kind wat speelgoed op de juiste plaats terug kan leggen.
Timemanagement
De leerling kan inschatten hoeveel tijd hij voor een taak heeft, hoe deze het beste ingedeeld kan worden en hoe hij zich aan deze tijdslimieten en deadlines kan houden.
Werkgeheugen
De leerling kan informatie in het geheugen vasthouden tijdens de uitvoering van complexe taken.
Metacognitie
De leerling kan een stapje terug te doen om zichzelf en de situatie te overzien. Een jong kind kan zijn gedrag veranderen als reactie op de feedback van een volwassene. Een tiener kan zijn prestaties evalueren en deze verbeteren door bijvoorbeeld anderen te observeren die meer ervaring hebben.

Gedrag en emotie
Respons-inhibitie
De leerling denkt na voordat hij iets doet. Hij neemt de tijd om een oordeel te vormen over een situatie en past daar zijn gedrag op aan.
Volgehouden aandacht
De leerling kan zijn aandacht bij de situatie of opdracht houden, ondanks afleidingen, vermoeidheid of verveling. • Taakinitiatie De leerling begint direct en zonder uitstel, op efficiënte wijze, aan de opdracht.
Emotieregulatie
De leerling kan zijn emoties reguleren zodat hij zijn doelen kan bereiken, zijn taken kan afmaken of zijn gedrag kan aanpassen.
Doelgericht gedrag
De leerling kan een doel formuleren en deze binnen een gestelde tijd behalen.
Flexibiliteit
De leerling kan zich aanpassen aan veranderende omstandigheden. Hij kan schakelen tussen verschillende taken en wanneer zich belemmeringen of tegenslagen voordoen zijn plan aanpassen.

Op de Bron werken we aan de ontwikkeling van deze functies.